Hub Coonen Fine Abstract Sculpture

    Geschiedenis


    "Geschiedenis van het Bronsgieten"

    De bronstijd loopt grofweg van ongeveer 3000 v.Chr. tot 800 v.Chr. Deze periode , waarin brons de opvolger van steen als gebruiksvoorwerp was, volgde op de steentijd en ging vooraf aan de ijzertijd. In onderstaand schema zijn de verschillende perioden wat nader aangeduid.

    Steentijd

    het paleolithicum of de oude steentijd, van ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden tot het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden
    het mesolithicum of de middensteentijd, een aanduiding voor culturen van jagerverzamelaars na het einde van de laatste ijstijd
    het neolithicum of de jonge steentijd, een aanduiding voor culturen waar landbouw de belangrijkste sector in de economie was.

    Bronstijd

    Midden Oosten en rond het oosten van de Middellandse zee:

    vroege bronstijd, 3000 - 2000 v.Chr.
    midden bronstijd, 2000 - 1600 v.Chr.
    late bronstijd, 1600 - 1200 v.Chr.

    West Europa:

    vroege bronstijd, 2000 - 1800 v.Chr.
    midden bronstijd, 1800 - 1100 v.Chr.
    late bronstijd, 1100 - 800 v.Chr.

    IJzertijd

    Midden Oosten en rond het oosten van de Middellandse zee:

    1200 v.Chr.-jaar 0

    West Europa:

    800 v.Chr. - jaar 0

    Brons werd dus voor het eerst als materiaal voor het vervaardigen van gebruiksvoorwerpen gebruikt zo ongeveer rond 3000 jaar v.Chr. De ontdekking ervan, is waarschijnlijk toe te schrijven aan natuurlijke verontreinigingen van koperertsen met arseen en/of tin, welke vervolgens vanwege het gunstige effect (lager smeltpunt, harder metaal) bewust door het legeren van koper en tin, werd nagestreefd. De kennis voor het bewerken van metalen, inclusief brons ontstond in het Midden-Oosten. Daar werd brons sinds ca. 3000 v.Chr. gebruikt. Deze kennis heeft zich langzaam aan verspreid door Europa.

    Overigens is die tijdsindeling in het schema niet wereldwijd geldig; Afrika (afgezien van Egypte) kent bijvoorbeeld geen bronstijd maar ging direct van steentijd over in ijzertijd en op het Amerikaanse continent waren het alleen de Inca's die brons kenden. Dit hing direct samen met de vindplaatsen van koper en tin.Bronsverwerking komt voort uit de verwerking van koper en edele metalen (goud). In het Nabije Oosten gebeurde dit reeds in de Obeid-periode (El Ubaid, ± 4500 v.C.), in Egypte in het laat-predynastische Gerzéen (± 3500 v.C.) en in het Balkangebied werd al voor 4000 v.Chr.kopermijnbouw bedreven. Er lijken zich min of meer onafhankelijk verschillende centra van vroege metaalbewerking te hebben ontwikkeld, waarvan de Balkan een van de vroegste was. Vanuit de Balkan werden koperen kralen, spiraalvormige sieraden en eenvoudige vlakke bijlen verhandeld met de neolithische gemeenschappen in Noord- en West-Europa.

    In Soemerië is er aan het einde van de vroeg-dynastieke periode (ca. 2500 v.C.) reeds sprake van bronzen met een tinpercentage van 6 à 10%; de Egeïsche bronstijd begint ongeveer terzelfder tijd, doch is in het begin (vroeg-helladisch I) nog arm aan bronzen. In Centraal-Europa eindigt de kopertijd omstreeks 2300 v.C. Het schaarse voorkomen van koperertsen en in nog sterkere mate van tinerts bepaalden in sterke mate de nu volgende ontwikkelingen: er ontstond in vrij korte tijd een uitgestrekt systeem van indirecte ruilhandels- en uitwisselingsrelaties, via welke de bronzen werktuigen en wapens werden gedistribueerd naar gemeenschappen die niet over eigen grondstoffen beschikten. Daarbij was een voordeel dat brons zich leende om meerdere afgietsels te maken waardoor er munten gemaakt konden worden.

    Maar terug naar brons.
    Zoals gezegd een legering van koper en tin en in die tijd soms grondstoffen als zilver, arseenen bismut. Tegenwoordig is de meest gangbare verhouding '90-10' (koper - tin) maar in de oudheid fluctueerde dat tussen de 2 en de 30 %. De kwaliteit van het brons werd bepaald door de zuiverheid van de grondstoffen. De koper was in die tijd veelal 'vervuild' met zilver, ijzer, nikkel, lood, bismut, antimoon, zwavel, arseen en kobalt. Elk van deze elementen leidt, mede afhankelijk van de hoeveelheid waarin zij aanwezig zijn in het erts, tot koper van verschillende kwaliteit. Zo maken bijvoorbeeld grote hoeveelheden lood het koper zacht en zorgt bismut, zelfs in minieme hoeveelheden, voor bros koper. Aanwezigheid van arseen daarentegen verhoogt de hardheid en duurzaamheid van koper door de absorptie af te remmen van gassen uit de atmosfeer die het pure koper bij het smelten en gieten bros en poreus maken. Deze eigenschappen lijken al vroeg opgemerkt te zijn: reeds in het 5de en 4de millennium v.Chr. werd in het Nabije Oosten gebruik gemaakt van natuurlijke legeringen van koper en arseen voor de productie van allerhande voorwerpen. Arseen stelde de smeden evenwel ook voor problemen. Zo zullen de giftige dampen die vrijkwamen bij het smeltproces menig slachtoffer geëist hebben, terwijl het praktische werk in de smidse sterk bemoeilijkt werd door het feit dat men ertsen van zeer verschillende kwaliteit in handen kreeg: de hoeveelheid arseen in koperertsen kon sterk verschillen, zonder dat men in staat was deze hoeveelheid aan het erts af te lezen. De voor- en nadelen van de koper-arseen legering zullen de smeden ongetwijfeld aangezet hebben tot allerlei experimenten met toevoegingen, uiteindelijk resulterend in de "ontdekking" van tin. Tin was niet giftig in gebruik en men kon de toe te voegen hoeveelheid tin aan het kopergietsel, precies afmeten.

    Vindplaatsen koper:
    De winning van de benodigde grondstoffen voor de productie van brons vond plaats in verschillende mijngebieden rond het Middellandse Zeegebied en in het noorden van Europa. In Griekenland (Euboea) kon kopererts in dagbouw gewonnen worden, doch deze mijnen konden nauwelijks voldoen aan de onverzadigbare vraag naar koper. Het eiland Cyprus, dat zijn naam gaf aan het Latijnse cuprum en waarvan, uiteindelijk, het Nederlandse "koper" is afgeleid, groeide in korte tijd uit tot een van de belangrijkste producenten van koper, en onderhield handelsbetrekkingen met het gehele Egeïsche gebied en aangrenzende streken. De stad Kition wordt genoemd in oude teksten als een belangrijke overslagplaats, met in de buurt diverse mijnen. In latere tijd vielen de Cypriotische mijnen toe aan de Romeinse keizer, die ze vervolgens verpachtte of door ambtenaren liet besturen. Tijdens de Romeinse Keizertijd werden ook mijnen ontgonnen in Engeland, vooral in Wales en Cornwall, in Frankrijk (Gallië) en verder noordelijk in Duitsland, waar ertsen gewonnen werden langs de Saar en de Rijn. Ook Italië zelf, met de landstreken Etrurië, Sardinië en Campanië, en Spanje golden als belangrijke productiegebieden. In Spanje zorgde, vooral in het 1ste millennium v.Chr., de koperwinning en -handel voor ongekende rijkdommen; Fenicische zeevaarders en handelslieden bevoorraadden grote delen van de toenmalige wereld met Spaans koper en brachten factorijen als Cadiz en Cartagena tot grote bloei. In het oostelijk deel van het Middellandse Zeebekken werd al vroeg koper gewonnen te Ergani Maden in Oost-Turkije, aan de bronnen van de Tigris, maar ook elders in het bergland van Anatolië werd de mijnbouw intensief bedreven. Anatolië exporteerde koper naar Syrië en de Levant, ofschoon het meeste koper in deze streken van Cyprus afkomstig lijkt te zijn. Cypriotisch koper werd, naast koper uit de landen langs de Perzische Golf (vooral Oman), ook gebruikt in Babylon en Egypte. De Egyptenaren ontgonnen ook zelf kopererts, in twee ver van elkaar gelegen regio's: de Sinaï en de oostelijke woestijn. De soms gigantische bergen slakken en ander mijnafval geven aan dat duizenden tonnen koper hier gewonnen werden binnen een bestek van enkele eeuwen.

    Vindplaatsen tin :
    Tin, het tweede hoofdbestanddeel van brons, kwam in het westen vooral uit Spanje, Portugal en Sardinië, waar al in het late 3de en 2de millennium v.Chr. tinmijnen bestonden, en verder uit Frankrijk (Bretagne, Haute Vienne), Italië (Etrurië) en Griekenland (Delphi). Ook Engeland (Cornwall) produceerde tin en groeide gedurende de Romeinse Keizertijd uit tot een van de belangrijkste tinleveranciers. Eerder werd Brits tin mogelijk door Fenicische zeevaarders tot ver in het Middellandse Zeegebied vervoerd. Cyprus vormde een belangrijke plaats voor de overslag, vanwaar tin naar het Egeïsche gebied en vooral de Levant en Egypte gebracht werd. Tinbaren met Cypriotische merktekens zijn onder andere in scheepswrakken voor de kust van Israël ontdekt. In het oosten golden in het vroege 2de millennium v.Chr. vooral de Assyriërs als belangrijke handelaren in tin. Onduidelijk is echter waar dit tin vandaan kwam; mogelijk moet gedacht worden aan het bergland van de Zagros, op de grens van het moderne Irak en Iran, of aan de streken rondom de Perzische Golf. In de 8ste eeuw v.Chr. maakt koning Sargon II van Assyrië melding van het "tinland aan de andere kant van de zee" -waarmee waarschijnlijk het land ten oosten van de Perzische Golf werd bedoeld.

    Het bronsgieten in die tijd :
    Na winning werden de ruwe koper- en tinertsen zo veel mogelijk gezuiverd van niet-metaalhoudende resten en vervolgens tot kleine stukjes vergruisd. Het gezuiverde erts werd vervolgens verhit, teneinde het metaal aan het erts te onttrekken. Het smelten, gewoonlijk in meerdere gangen om een hogere zuiverheid van het metaal te bereiken, vond aanvankelijk plaats in smeltkroezen (kleine aardewerken kommetjes met een tuitje) ingebed in vuurkuilen, later in echte smeltovens. Gedurende de laatste smeltgang vond dan het samenvoegen van koper en tin plaats, en ontstond de legering brons. Voor het eigenlijke gietwerk kon de smid diverse technieken aanwenden. De eenvoudigste methode, veelal gebruikt voor de productie van gereedschap en wapens, omvat het gieten van het vloeibare metaal in een vuurvaste, open vorm, identiek aan het te gieten object (massief gieten). Een fraai voorbeeld van deze methodiekis het blok kalksteen uit Shechem (Israël, omstreeks 2000 v.Chr.), waarin aan vier zijden de vormen zijn uitgespaard van allerhande werktuigen en wapens. De achterzijde van een gietstuk gemaakt in een dergelijke vorm is ruw en vol met "blaasjes", te wijten aan de snelle afkoeling in de open lucht. Verdere afwerking m.b.v. hamers en vijlen was daarmee noodzakelijk.

    Voorbeelden van bronzen voorwerpen uit die tijd :
    Sieraden: armbanden, torques (halsversiering), spiralen, kralen, mantelspelden
    Beelden: bronzen slangen, beeld van een godin
    Gebruiksvoorwerpen: bijlen, sikkels, beitels, messen, gereedschap voor metaalbewerking
    Wapens: dolken, zwaarden, speerpunten, pijlpunten

    Per land, regio was de ontwikkeling anders.
    Soms het koper verschillend en de tijd waarin het werd aangewend. Daarmee was ook de toepassing soms anders. De meest relevante zaken nu per land op een rijtje.

    Egypte :
    Egypte stond al in de Oudheid bekend om zijn rijkdom aan minerale bodemschatten. De vulkanische gesteenten van de oostelijke woestijn en de Sinaï zijn rijk aan goud- en koperaders. Beide metalen, koper eerder dan goud, waren al in het 4de millennium v.Chr. in Egypte bekend. In nederzettingen en graven van de zogenaamde Badari-cultuur, later gevolgd door de verschillende fasen van de Nagada-cultuur, zijn al kleine koperen voorwerpen zoals kralen en spelden gevonden. De onderlinge oorlogen, die rond 3000 v.Chr. leidden tot de eenwording van heel Egypte onder één farao, werden al met koperen bijlen, dolken en speren uitgevochten. De graven van de eerste farao's bevatten honderden wapens en werktuigen, sieraden en stukken vaatwerk van koper. Het is onbekend hoe men dit materiaal verkreeg. Waarschijnlijk speelde de winning van koperertsen als malachiet en azuriet een hoofdrol. Met name het groene malachiet werd al in de vroege prehistorie in de woestijn verzameld: de Egyptenaren gebruikten het in fijngewreven vorm als oogschmink en bakten het ook met zand en soda tot een soort glazuur (Egyptisch faience). Het is mogelijk dat tijdens dat bakproces is ontdekt dat het erts bij hoge temperatuur (1083°C) vloeibaar koper oplevert. Door dit min of meer zuivere metaal vervolgens uit te hameren of in open vormen te gieten, kon men de eenvoudige voorwerpen vervaardigen die uit deze tijd zijn teruggevonden.

    In de nu volgende eerste bloeiperiode wisten de Egyptenaren de bestaande technologie aanmerkelijk te verbeteren. In de koningsannalen uit deze tijd, die deels bewaard zijn gebleven op een brok steen in het museum van Palermo, wordt vermeld dat al onder de tweede dynastie (2770-2649 v.Chr.) een koperen beeld van farao Chasechemoei werd vervaardigd. De oudste metalen beelden die we daadwerkelijk kennen, zijn de levensgrote figuren van koning Pepi I (2289-2255 v.Chr.) en zijn zoon Merenre in het museum van Caïro; deze zijn gemaakt uit in model gehamerde platen koper, die op een houten kern waren bevestigd. Mogelijk is voor de gezichten al gebruik gemaakt van een primitieve giettechniek. Op voorstellingen in de privé-graven van deze tijd zien we metaalwerkers afgebeeld, die met lange blaaspijpen het houtskoolvuur onder de kleine smeltkroezen aanjagen en daarna het uitgegoten metaal met ronde stenen tot platen uitslaan. Ook wisten de Egyptenaren van het Oude Rijk al dat ze gereedschap door hameren en uitgloeien konden harden.

    Koper leent zich echter niet voor het gieten in gesloten vormen, een type dat benodigd is voor het vervaardigen van rondom uitgewerkte voorwerpen zoals beelden. Het metaal neemt tijdens het smelten namelijk veel gassen op uit de atmosfeer, die in een gesloten vorm niet kunnen ontwijken. De technologie die nodig was om dit probleem op te lossen, kwam uit Azië. Al in het derde millennium v.Chr. hadden de metaalwerkers van Ur in Mesopotamië ontdekt dat ze door het toevoegen van tin een veel gietbaarder materiaal verkregen, dat bovendien al bij een lagere temperatuur smolt en harder gereedschap opleverde dan het brosse koper. De Egyptenaren leerden het brons pas tijdens het Middenrijk (2040-1640 v.Chr.) kennen. Vermoedelijk hebben ze steeds het benodigde materiaal rechtstreeks uit Syrië en andere Aziatische streken geïmporteerd, in de vorm van bijlen, vaatwerk en staven die dan in Egypte weer werden omgesmolten. Winbare hoeveelheden tin waren in Egypte zelf namelijk in de Oudheid niet bekend.

    Hoewel de Egyptenaren naast brons nog lang koper bleven gebruiken, zijn er toch al uit het Middenrijk enige bronzen beeldjes bekend, gemodelleerd volgens het "verloren was" procédé. Met hun enigszins onhandige proporties en grove detaillering verraden ze duidelijk dat de handwerkslieden nog niet geheel vertrouwd waren met de nieuwe technieken.

    De perfectionering van deze technieken bereikten de Egyptenaren pas vanaf het Nieuwe Rijk. In het graf van Rechmire, de vizier van farao Thoetmosis III (1479-1425 v.Chr.), zien we bronswerkers afgebeeld: met blaasbalgen (een andere Aziatische vinding) wakkeren ze het vuur aan waarop een groot aantal smeltkroezen wordt verhit. Volgens het bijschrift wordt hier gewerkt aan het gieten van de enorme, met goud ingelegde deuren voor de Amontempel bij Karnak. Veel van het bronsmateriaal uit het Nieuwe Rijk is echter verloren gegaan en omgesmolten, en behalve wat vaatwerk uit grafvondsten is er in feite weinig bekend over deze periode. Gelukkiger zijn we over de zogenaamde Derde Tussenperiode (1070-712 v.Chr.), een tijdperk van politieke onrust dat op het ineenstorten van het centrale gezag en van het Egyptische buitenlandse imperium volgde. Ondanks de heersende anarchie, waarbij verscheidene locale koningshuizen elkaar bestreden, bloeide de bronskunst als nooit tevoren. Aan de juiste proportionering van de figuren werd grote aandacht besteed. Veel figuren bestonden uit een aantal losse onderdelen, die zo precies gegoten waren dat ze daarna konden worden geassembleerd. Vaak werd het oppervlak vervolgens geciseleerd of met goud, zilver of halfedelstenen ingelegd.

    De grootste bloei kende de Egyptische bronsindustrie in de Late Periode en onder de Ptolemaeën (712-31 v.Chr.). In deze tijd was er een sterke opbloei van allerlei locale pelgrimsoorden en andere heiligdommen. Bronsfiguurtjes en andere religieuze attributen werden massaal vervaardigd om verkocht te worden aan de gelovigen, die ze - al of niet voorzien van een inscriptie - aan de plaatselijke godheden offerden. De wasmodellen werden zeer nauwkeurig vervaardigd uit verschillende losse ledematen, kledingstukken en attributen, die in gereed liggende gipsvormen werden afgegoten. Al deze gipsmallen waren in diverse formaten aanwezig,
    zodat het mogelijk was figuren van verschillende omvang toch steeds volgens de exacte proportieregels van de Egyptische kunst te produceren. Veel van deze figuren zijn hol gegoten.

    Het Nabije Oosten :
    De bewerking van metalen kent in het Nabije Oosten een lange traditie. Omstreeks 6900/6800 v.Chr. werd in Oost-Turkije al gebruik gemaakt van koper voor de productie van priemen en kralen en ook in het zuidwesten van Iran werd koper al vóór 6000 v.Chr. gebruikt. Aanvankelijk werd dit metaal simpelweg in koude staat gehamerd in de gewenste vorm; de technieken voor het echte smelten van koper en het gieten in eenvoudige open gietvormen of tweedelige, gesloten mallen, werden waarschijnlijk omstreeks 5500 v.Chr. ontwikkeld, maar waren met zekerheid duizend jaar later in Iran bekend. De vormen waren simpel, een situatie waar pas met het verschijnen van de "verloren was" methode verandering in leek te komen. Desalniettemin werd koper slechts in beperkte mate toegepast, mogelijk te wijten aan de relatieve zachtheid van dit metaal; voor het vervaardigen van wapens en werktuigen bleef steen de belangrijkste grondstof. De 'uitvinding' van brons bracht evenwel een duidelijke ommekeer teweeg.

    Brons verscheen in het Nabije Oosten voor het eerst omstreeks 3000 v.Chr., doch werd pas ruim een millennium later een massaproduct. Vele van de metalen voorwerpen die eerder als brons bestempeld waren, bleken bij nader onderzoek óf van koper, óf van een legering van koper met arseen, lood of antimoon vervaardigd zijn. Brons werd gebruikt voor de productie van wapens en werktuigen, maar ook voor de vervaardiging van beelden, reliëfs en meubilair. De Assyrische koning Assur-nasirpal II had een houten troon afgewerkt met gedecoreerde bronzen platen. Een puur bronzen troon stamt uit Van, de hoofdstad van het koninkrijk Urartu in Oost-Turkije. Beroemd zijn de met brons beklede poorten uit de Assyrische stad Imgur-Enlil (het huidige Balawat), vervaardigd in opdracht van Shalmaneser III en rijkelijk gedecoreerd met afbeeldingen van veldslagen en andere prestaties van de vorst. Helaas niet bewaard gebleven zijn de reusachtige-en in oude teksten geroemde bronzen beelden van stieren, leeuwen en griffioenen, staande aan de stads- en paleispoorten van Babylon; naar alle waarschijnlijkheid zijn deze beelden omgesmolten in latere tijd (een andere mogelijkheid is uiteraard dat ze nog niet gevonden zijn).

    Assyrië drukte al vroeg een belangrijk stempel op de fabricage van brons: in de jaren tussen ca. 1925-1715 v.Chr. was de handel in tin, onmisbaar voor het vervaardigen van brons, grotendeels in handen van Assyrische kooplieden. Zij voorzagen, via een uitgebreid netwerk van handelsnederzettingen, de bronssmeden in Anatolië (grofweg het moderne Turkije) van tientallen, zo niet honderden tonnen tin, in ruil voor Anatolisch zilver en goud. Ofschoon de Anatolische bronsproductie in het 2de millennium v.Chr. van enorme omvang geweest moet zijn, is toch weinig bekend omtrent de figuratieve bronskunst uit deze streken. Minder dan 100 bronsfiguurtjes zijn momenteel gepubliceerd, waarvan sommige zeer primitief van vorm en afwerking zijn, andere echter van groot vakmanschap getuigen.

    In het 1ste millennium v.Chr. bereikte de figuratieve bronskunst in het Nabije Oosten een ongekende hoogte. Een fameus centrum van metaalbewerking is wederom Assyrië, dat door de vele succesvolle militaire campagnes in de buurlanden ruim kon beschikken over metaal. Sargon II maakte in een inscriptie gewijd aan de goden van Assur gedetailleerd melding van de uitzonderlijk grote hoeveelheden koper en brons die hij buit maakte gedurende zijn veldtocht in Urartu in 714 v.Chr. Eindeloze reeksen mens- en dierfiguren, goden- en demonenbeeldjes werden in brons vervaardigd, soms van enorme omvang. Koning Sargon en, later, diens zoon Sanherib gaven opdracht tot de vervaardiging van kolossale, metershoge leeuwenbeelden, waarvoor tientallen tonnen brons benodigd waren (Sanheribs beelden hadden naar schatting elk een gewicht van 90 ton). Deze vorsten legden een grote belangstelling voor metaalbewerking aan de dag en maken in annalen melding van het feit dat zij naar Syrië trokken om aldaar nieuwe mijnen te ontsluiten en de Syrische smeden aan het werk te zien.

    De smeden en metaalgieters huisden in specifieke wijken, bijvoorbeeld in de hoofdstad Assur rondom de Tabira-poort, de 'Poort van de Metaalgieters'. Assyrische koningen beroemden zich erop dat zij de poort voorzagen van een bronzen bekleding of in de nabijheid offers brachten aan Nergal, de beschermgod van de metaalgieters. De tempels gewijd aan Nergal in de koningssteden Assur, Nimrud en Ninive lijken een belangrijke rol gespeeld te hebben in de handel en opslag van koper en brons, mogelijk ook in de fabricage van metalen voorwerpen.

    Ook elders nam de bewerking van brons een hoge vlucht. In het noordoosten van Turkije en in de Kaukasus bloeide tussen 900 en 600 v.Chr. het koninkrijk Urartu, een geduchte concurrent van Assyrië. Talrijke bronzen voorwerpen uit tombes, tempels en paleizen illustreren het vakmanschap van de Urartese smeden. Befaamd zijn onder andere de rijk versierde meubelstukken, de bronzen gordels en votiefplaten, en de grote ketels met opzetstukken in de vorm van gevleugelde sirenen en stieren. Veel minder is bekend omtrent de bronsindustrie in de neo-Hettitische stadstaatjes in het heuvelland van zuidoost-Anatolië en de aangrenzende Syrische laagvlakte. Deze plaatsen hebben een grote faam op het terrein van monumentaal beeldhouwwerk in steen, maar dat ook de bronskunst op een hoog peil stond, wordt getoond door het kleine altaar met godenpaar, een meesterlijk miniatuurtje.

    In het uitgestrekte Iran treft men verschillende bronsculturen aan, vooral in het gebied rondom de Kaspische Zee en in het moeilijk toegankelijke, bergachtige Luristan in het westen. De beroemde bronscultuur van Luristan, ontstaan omstreeks 1000 v.Chr., is vooral bekend van vondsten in grafvelden en omvat een wijd scala aan prachtige bronzen wapens, vaatwerk, sieraden, figuurtjes, paardentuig en andersoortig gerei. Luristan bronzen kenmerken zich door een rijke en opmerkelijk gestileerde decoratie waarin vooral diermotieven een grote rol spelen. Ook de 'dierenbedwinger', een vaak demonisch aandoende, menselijke figuur in gevecht met wilde dieren of monsters, is een vaak terugkerend thema. Ofschoon de bronskunst van Luristan een geheel eigen karakter heeft, zijn invloeden uit het naburige Assyrië en Babylonië soms duidelijk waarneembaar. De Assyrische koningen hebben bij diverse militaire campagnes Luristan doorkruist en zelfs grote delen bezet, het marmer en het aardewerk hebben de tand destijds redelijk goed doorstaan, terwijl de monumentale bronzen beelden en het kostbare vaatwerk op enkele uitzonderingen na ten offer zijn gevallen aan de smeltovens. Nog in de 18e eeuw werden de kerkklokken van het Italiaanse dorpje Montecchio gegoten van brons, dat afkomstig was van Etruskische "heidense idolen".

    Om een indruk te krijgen van de rijkdom aan antieke monumentale bronzen beelden is de lectuur van de Romeinse auteur Plinius (1ste eeuw na Chr.) verhelderend: in zijn Naturalis Historiae vermeldt hij dat de stad Athene ter ere van Demetrios van Phaleron 360 beelden liet opstellen, die enkele jaren later alle weer werden vernield. Bij de inname door de Romeinen van de Etruskische stad Volsinii in 265 v.Chr. werden volgens Plinius 2000 beelden van brons buitgemaakt. De hoge magistraat Marcus Scaurus stelde in 85 v.Chr. zelfs 3000 bronzen beelden op in een theater. Op het eiland Rhodos, een centrum van kunsten en wetenschappen, telde Plinius 73.000 beelden van brons. Enorme aantallen kunstwerken, waarvan de kwaliteit natuurlijk niet altijd even hoog hoeft te zijn geweest. Echter, ook de beroemdste beelden uit de oudheid zijn oorspronkelijk van brons geweest: de discuswerper van Myron, de lansdrager van Polykleitos, de atleet van Lysippos en de Laokoöngroep waren scheppingen in brons, maar deelden het lot van de talloze, boven vermelde anonieme beelden. Zij werden omgesmolten tot wapens of ploegscharen. Dat wij deze beelden nog kunnen waarderen is te danken aan het feit dat al in de oudheid kopieën van marmer werden vervaardigd, die een indruk van het origineel verschaffen. Wel bewaard gebleven zijn de vondsten uit Pompeii en Herculaneum. Zij tonen de verfijning die de Romeinen legden in de vervaardiging van hun bronzen siervoorwerpen: meubels zijn bekleed met bewerkte bronzen platen, godenbeeldjes sierden het huisaltaar en wijn werd geserveerd in bronzen wijnserviezen. Maar behalve dat vervaardigden ze munten, sieraden en zelfs medische gereedschappen van brons. Gedurende de Bronstijd in het Egeïsche gebied (ca. 3000-1000 v.Chr.) waren het de Minoërs op Kreta, die beeldjes van mensen en dieren in brons vervaardigden (nr. 23). Hun opvolgers de Myceners werkten liever in terracotta en reserveerden het brons voor wapens en gebruiksvoorwerpen. Met het einde van de Bronstijd werd dit metaal niet meer voor wapens gebruikt; het ijzer nam deze functie over. Brons werd wel op uitgebreide schaal benut voor de vervaardiging van huisraad en kunstwerken. De uitvinding van het gieten van holle beelden, waarschijnlijk overgenomen uit Egypte of Fenicië, maar door de Grieken toegekend aan de 6de-eeuwse kunstenaars Rhoikos en Theodoros van Samos, liet de vervaardiging van grote beelden toe. Uit de bloeitijd van de Griekse kunst, de 5de eeuw v.Chr., stammen de eerder genoemde meesterwerken van Myron, Polykleitos en Lysippos, hol gegoten met behulp van een kern. Door de Perzen werden de holle beelden gezien als een rariteit: bij de inname van Athene in 480 v.Chr. namen zij enkele beelden als oorlogsbuit mee. Slechts weinig originele 5de-eeuwse beelden zijn (geheel of gedeeltelijk) bewaard gebleven, waaronder de twee indrukwekkende krijgers, die bij het Zuid-Italiaanse Riace in zee zijn gevonden.

    In Italië zijn vooral de Etrusken beroemd geworden door hun vakmanschap in de bronsbewerking. Hiervan getuigen nog de grote beelden van de wolvin op het Kapitool van Rome, de Chimaera van Arezzo en het levensgrote beeld van Aulus Metellus (de Arringatore) in het archeologisch museum van Florence. Kleinere beeldjes werden in grote hoeveelheden gewijd aan de goden. Monumentale beelden werden opgesteld ter ere van de Romeinse keizers: de bronzen kolos van Nero in Rome leende zijn naam aan het nabij gelegen Colosseum. Veel van deze grote werken gingen verloren: het prachtige ruiterstandbeeld van keizer Marcus Aurelius geeft echter nog een indruk van het meesterschap in vorm en techniek dat de Romeinse artiesten wisten te bereiken.

    De Lage Landen :
    In de Lage Landen was brons, na het Stenen tijdperk, het eerste metaal dat op grote schaal werd toegepast als vervanging van steen. Brons was schaars in de Lage Landen. De grondstoffen voor brons, koper- en tin-erts, komen namelijk niet voor in Nederland. Al het brons moest dus worden geïmporteerd. Veel geschikte ruilmiddelen waren niet aanwezig. Mogelijk werden barnsteen en zout als ruilmiddel gebruikt. Deze werden dan geruild tegen kant-en-klare producten of tegen bronsschroot. Doordat het brons zo schaars was, heeft het vuursteen nooit helemaal verdrongen. Ook toen er al ijzer was bleef vuursteen nog lange tijd in gebruik. Uit Romeins Nederland is brons vooral bewaard als kleine, vrijstaande beeldjes of appliqués. Opvallende vindplaatsen zijn rivieren of tempeldepots. Daarnaast is brons bekend uit schatvondsten. Hier te lande is geen bronsatelier gevestigd geweest. Het brons kwam rechtstreeks uit Italië, later ook wel uit Gallië en Keulen.

    Tussen 12 v.Chr. en 406 na Chr. stonden grote delen van ons land onder Romeins gezag. Vooral de periode tussen ca. 50 en 250 na Chr., waarin de Oude Rijn de officiële noordgrens vormde van het Imperium Romanum (het Romeinse keizerrijk), heeft een schat aan Romeinse sier- en gebruiksvoorwerpen opgeleverd. De meeste van deze voorwerpen zijn uiteraard aan het licht gekomen in het deel van Nederland ten zuiden van de Oude Rijn, dat tot het Imperium Romanum behoorde, maar ook in Noord-Nederland zijn Romeinse objecten gevonden. Het betreft dan vooral luxe gebruiksvoorwerpen en sieraden van brons, zilver en goud, die daar waarschijnlijk terecht zijn gekomen als betaling voor geleverde producten of als geschenk aan een inheems stamhoofd met wie de Romeinse overheid contacten onderhield. Vooral bronzen godenbeeldjes waren geliefd, waarschijnlijk niet alleen vanwege hun schoonheid, maar ook om er de eigen goden mee te vereren. In beeldjes van de Romeinse god Mars, met zijn helm op, herkenden de Friezen hun eigen, inheemse oorlogsgod.

    <terug naar inhoud>